TECHNISCH REGLEMENT OLDTIMERS

 

     

Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
(B.S. 28.03.1968)


 

Artikel 2 : Toepassingssfeer.

§2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieen slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.

Deze zijn:

De personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die sedert meer dan vijfentwintig jaar en de andere voertuigen die sedert meer dan dertig jaar in gebruik zijn genomen en slechts bij uitzondering op de openbare weg worden gebezigd ofwel ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten manifestaties, ofwel voor proefritten met het oog op die manifestaties, uitgevoerd tussen zonsopgang en zonsondergang en binnen een straal van 25 km, ofwel om zich naar die manifestaties te begeven en die in het bezit zijn van de verklaring die aangevuld werd door de titularis en waarvan het model vastgesteld wordt door de Minister bevoegd voor het vervoer of zijn gemachtigde.

Deze voertuigen zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 16, §1 eerste lid, 23 §§ 1, 3, 4, 5, 6 en 7, 23sexies §1, 1° en 3°, en § 2, 25, 26, 42, 45 § 1, 1° en 3°, 47 § 1, punt 1, eerste lid, 54 § 1, 1° en 3°, 70 § 2 en 80 van dit besluit.


 

Artikel 16 : Identificatie van de voertuigen.

§1. Chassisnummer.

Elk chassis of zelfdragend voertuig moet voorzien zijn van een nummer dat als chassisnummer wordt beschouwd, en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en bestaande uit een reeks van ten minste drie en ten maximale zeventien letters of cijfers .

Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.


 

Artikel 23 : Autokeuring.

§1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.
Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.
De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.

§3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.

§4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.
De betalingen gebeuren contant.

§5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.
Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.

§6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.
Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen uitgerust.
De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.
De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.

§7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :

  • 1° het inschrijvingsbewijs;
  • 2° het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs;
  • 3° het identificatieverslag of de technische fiche.

 

Artikel 23sexies : Niet-periodieke keuringen.

§ 1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht:

  • op elk verzoek van een bevoegde persoon;
  • vóór de inschrijving van een personenauto, auto voor dubbel gebruik, minibus, lijkauto of een voertuig op naam van een nieuwe titularis.

Indien deze echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude nummerplaat op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór inschrijving uitgevoerd;

§ 2. De gebruikte voertuigen van de kategorieën M2, M3, N1, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, § 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, namelijk met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.

De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.


 

Artikel 25 : Beschadigde voertuigen.

Voertuigen die om enigerlei reden werden beschadigd en die niet onderworpen zijn aan de bij artikel 23sexies, §1, 2°, d. voorgeschreven schouwing mogen slechts weder in dienst worden gesteld na herstelling, wanneer zij alle waarborgen bieden voor de veiligheid van het verkeer en aan de voorschriften van dit algemeen reglement voldoen.

ln afwachting van de herstelling, moeten alle voorzorgen genomen zijn opdat deze voertuigen geen gevaar zouden opleveren voor de andere weggebruikers.


 

Artikel 26 : Gebruik van de voertuigen.

§ 1. Geen voertuig mag op de openbare weg worden gebezigd indien het, inzake onderhoud en werking, niet in volkomen goede staat verkeert of wanneer het niet voldoet aan de bepalingen van dit reglement.

§ 2. Het moet regelmatig nagezien worden, afgezien van de periodieke schouwingen uitgevoerd door de door de Minister van Verkeerswezen voor de autokeuring erkende organismen.

De inrichtingen welke het trekkend voertuig met de aanhangwagen of de verschillende aanhangwagens onderling verbinden, inzonderheid de rem-, koppel- en lichtinrichtingen, dienen met de grootste zorg nagezien.

§ 3. De voertuigen die onder de toepassing vallen van dit algemeen reglement en die worden gebezigd voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten zo dikwijls als nodig blijkt worden ontsmet.


 

Artikel 42 : Stuurinrichting.

De stuurinrichting en de stuurorganen moeten alle veiligsheids en stevigheidswaarborgen bieden. De kogelgewrichten van de verbindingsstangen moeten zodanig zijn uitgevoerd. dat -noch geringe slijtage van de kogels of de kommen, noch breuk van de opsluitveren tot gevolg kan hebben dat de kogels uit de kommen kunnen geraken. Een goede bestuurbaarheid van het voertuig moet gewaarborgd zijn; hierbij mogen geen ongewenste reactiekrachten van de gestuurde wielen op het stuurwiel worden overgebracht.

Voor de aanhangwagens tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971 moet de draaihoek van de voorste wielen of van de vooras ten minste 45° bedragen in beide richtingen.

Aan de stuurorganen mag, behalve door de constructeur zelf, niet zijn gelast. De delen der stuurinrichting mogen koud noch warm worden vervormd.

De eisen waaraan de stuurinrichtingen moeten voldoen, voor wat de bescherming van de bestuurder betreft in geval van botsing, worden door Ons bepaald.


 

Artikel 45 : Reminrichtingen van de auto's - algemene bepalingen.

§1. De auto's moeten voorzien zijn:

van een bedrijfsreminrichtingen die het mogelijk moet maken de beweging van het voertuig te controleren en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand te brengen, ongeacht de snelheidsomstandigheden en de belasting en ongeacht de stijgende of dalende helling waarop het voertuig zich bevindt. De werking ervan moet regelbaar zijn . De bestuurder moet deze remming tot stand kunnen brengen vanaf zijn zitplaats, zonder de handen van het stuurorgaan te nemen;

van een parkeerreminrichting die het mogelijk moet maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een stijgende of dalende helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij dan de actieve elementen aangespannen blijven door middel van een uitsluitend mechanisch werkende inrichting. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen.


 

Artikel 47 : Reminrichtingen van de aanhangwagens.

§1. De aanhangwagens moeten voorzien zijn:

1. van een bedrijfsreminrichting, zodanig opgevat en uitgevoerd, dat de bestuurder van het trekkende voertuig waaraan de aanhangwagen gekoppeld is, vanaf zijn zitplaats en zonder het stuurwiel los te laten, met de inrichting de beweging van het voertuig kan beheersen en dit laatste op een veilige, snelle en doelmatige wijze tot stilstand kan brengen, ongeacht de snelheid en de lading en ongeacht de helling waarop het voertuig zich bevindt.

De werking ervan moet regelbaar zijn.


 

Artikel 54 : Verbindingen van het trekkend voertuig met de aanhangwagens.

§1. Koppeling.

De onderlinge verbinding tussen trekkende en getrokken voertuigen mag slechts geschieden door één enkele, voldoend stijve en sterke koppeling.

De koppeling moet zijn voorzien van een sluitinrichting met een borging. Deze inrichting dient zodanig te zijn uitgevoerd dat de koppeling tijdens het rijden gesloten en geborgd blijft en met kan losraken. De borging mag slechts kunnen worden aangebracht indien de koppeling is gesloten. Bovendien dient de sluitinrichting zodanig te zijn uitgevoerd dat wanneer de koppeling niet geborgd is, deze tijdens het rijden deugdelijk gesloten blijft.


 

Artikel 70 : Blustoestellen en gevaarsdriehoeken.

§2. Gevaarsdriehoeken.

Een gevaarsdriehoek, gebruikt voor het signaleren van een geïmmobiliseerd voertuig of van een op de openbare weg gevallen lading, moet zich aan boord van elke auto bevinden.

De eisen waaraan de gevaarsdriehoeken moeten voldoen worden door Ons bepaald.

In afwijking van de bepalingen van , mogen de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring werd ingediend vóór 1 januari 1977 voorzien zijn van een gelijkzijdige gevaarsdriehoek, die een rode rand en ten minste 40 cm zijde heeft. De rode randen zijn voorzien van reflecterende producten en ten minste 5 cm breed. Het centraal gedeelte mag zonder achtergrond zijn ofwel een witte achtergrond hebben.


 

Artikel 80 : Toezicht.

Zijn bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van dit algemeen reglement, de bevoegde personen bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Tijdens de uitoefening van hun opdracht genieten deze beambten van de bevoegdheden die hun toegekend zijn door de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen.


 

Aangepaste reglementering mbt de tweedehandsvoertuigen vanaf 01/09/2004

De voertuigen die voor keuring worden voorgereden met oog op een herinschrijving moeten voorzien zijn van de kentekenplaat en het kentekenbewijs.

Kentekenplaat (nummerplaat)

De voertuigen kunnen voorgereden worden :

  • hetzij, met de kentekenplaat waaronder het voertuig is ingeschreven of laatst was ingeschreven;
  • hetzij, met een handelaars- of proefrittenplaat.

Kentekenbewijs (inschrijvingsbewijs)

Het kentekenbewijs voor het betrokken voertuig wordt uitgereikt door de Directie Inschrijving Voertuigen (DIV). Bij verlies moet een attest, uitgereikt door de Politie, voorgelegd worden. Het attest vermeldt een verklaring van onvrijwillig niet meer in bezit zijn van het inschrijvingsbewijs, m.a.w. verklaring van verlies.

Wanneer het voertuig wordt voorgereden onder een handelaars- of proefrittenplaat moeten zowel het kentekenbewijs (of verklaring van verlies) als het kentekenbewijs “handelaar” of “proefritten” voorgelegd worden.

Kopieën

Alle documenten die voorgelegd worden, moeten originelen zijn.
Enkel de kentekenplaten uitgereikt door de DIV zijn geldig.

 



 

Laatst gewijzigd : 11 februari 2005 - 19:43