ELECTRICITEIT - DEEL 3

 

     

De schakelaars en de relais voorzien de distributie van de elektrische stroom door de individuele kabels. Terwijl de schakelaars, afhankelijk van hun schakelpositie, als doel hebben de electrische stroom bij de verbruikers toe te laten komen, hebben de relais twee taken : het schakelen van hoge vermogens en het genereren van impulsen/signalen.

SCHAKELAARS

Men vindt overal schakelaars in de auto en dit in verscheidene versies, het principe is nochtans altijd hetzelfde : verbindingen tussen inkomende en uitgaande kabels tot stand te brengen of te onderbreken. Sommige schakelaars zijn bedieningselementen (licht, gevaarspinkers, ruitenwisser enz...), sommige dienen voor het comfort (deurcontactschakelaar), andere worden voor controle- (oliedruk) of voor signaal-doeleinden (remlichtschakelaar) gebruikt.

Men onderscheidt schakelaars en druktoetsen (openend/sluitend), wisselschakelaars en schakelaars op verscheidene niveaus. Een druktoets is een niet-blijvende schakelaar, die na het indrukken weer in de uitgangspositie terugspringt.

openende schakelaar sluitende schakelaar sluitende druktoets wissel schakelaar schakelaar op verscheidene niveaus


Afhankelijk van hun manier van activering zijn er verschillende symbolen voor de verschillende schakelaars (druktoetsen worden voorzien van een zwarte driehoek). Elektrisch geactiveerde schakelaars worden ook relais genoemd.

handbediend, blijvend handbediend, niet-blijvend druk-geactiveerd, mechanisch druk-geactiveerd, hydraulisch elektrisch geactiveerd
achterruit-verwarming licht-signaal deur-contact oliedruk-contact vermogens-relais


In tegenstelling tot gewone aan/uit schakelaars hebben de bedieningsschakelaars in de auto (contactslot, licht, gevarenpinkers, ruitenwisser enz.) een complexer binnenwerk, waardoor verscheidene contacten gelijktijdig kunnen worden geschakeld. Er zijn ook schakelaars met meer dan één functie. Deze laatste hebben als kenmerk dat het schakelstaafje onderbrekingen vertoont; welke contacten worden geschakeld is te herkennen aan de plaatsing van deze contanten in een bepaalde sectie van het schakelstaafje. Een mooi voorbeeld van een dergelijke schakelaar is deze van de intervalschakeling voor de ruitenwissers.


RELAIS

In feite volstaat slechts één enkel relais om de totale auto-electriciteit volgens de wettelijke voorschriften tot stand te brengen - namelijk de pinkdoos. Alle andere relais schakelen of hoge vermogens of genereren impulsen die voor meer comfort moeten zorgen (Bvb. intervalrelais voor de ruitenwissers). De kever bezit gewoonlijk minstens 2 relais de pinkdoos en een wissel-relais voor dimlichten en grootlichten. Indien het een uitvoering met achterruitverwarming betreft zit er nog een extra relais onder de achterzetel waarlangs de achterruitverwarming geschakeld wordt.

Algemeen kan men een onderscheid maken tussen normale relais (schakel-/vermogens-relais), waarmee het schakelcontact direct gestuurd wordt, en speciale relais (pinkdoos, relais voor ruitenwisserintervalomschakeling), die een intern signaal genereren, waarlangs het schakelcontact wordt gestuurd. Hieronder een overzicht van de normale relais. Net zoals het geval is bij gewone schakelaars zijn er openende en sluitende relais evenals wisselende relais. Bij een sluitend contactrelais wordt de elektrische kring tussen krachtbron en lading gesloten, terwijl het openend relais de elektrische kring onderbreekt en de lading uitschakelt (met een dergelijk openend relais kan meen bvb het x-contact bij oudere kevers uitrusten). Het wisselend relais schakelt de elektrische stroom van de ene lading naar de andere.

sluitend openend wisselend


Waar worden er relais gebruikt ?  Relais worden overal ingezet waar er een hoge lading/stroom geschakeld moet worden. Om volgende redenen wordt in deze gevallen geen gebruik gemaakt van een normale schakelaar : Enerzijds vereist de hoge stroom zeer dikke kabels van en naar de schakelaar en anderzijds verkorten de hoge electrische stromen de levensduur van een schakelaar wezenlijk. Als men een relais gebruikt volstaan dunne kabels (0,75 mm volstaat voor 150 mA controlestroom) als controlelijnen van de schakelaar naar het relais.

De dikkere kabels lopen dan van de batterij of van de zekeringendoos naar de schakelingang van het relais (gewoonlijk klem 30), en vanuit de schakeluitgang (gewoonlijk klem 87) direct naar de lading. De sturingsuitgang (klem 85) wordt gewoonlijk aan de massa gekoppeld, terwijl de sturingsingang (klem 86) via een schakelaar spanning krijgt, waardoor het relais schakelt bij ingeschakelde spanning (plus-gestuurd). Indien niet anders mogelijk, kan ook de sturingsingang constant voorzien worden van spanning en de sturingsuitgang via een schakelaar verbonden wordt met de massa (min-gestuurd).

Sluitende contactrelais worden het vaakst gebruikt, openende relais zijn soms moeilijk te vinden, maar kunnen altijd vervangen worden door wisselende relais (niemand zegt toch dat alle verbindingen moeten worden gebruikt ?). Om onduidelijkheid aangaande de interne bedrading van het relais te voorkomen staat op de buitenzijde van de meeste relais een schakelschema gedrukt. Er zijn ook relais, die twee schakeleuitgangen hebben, deze kan men bijvoorbeeld gebruiken bij de aansluiting van extra verstralers.



 

Laatst gewijzigd : 13 augustus 2005 - 18:44