ELECTRICITEIT - ANNEX A

 

     

WETTELIJKE BEPALINGEN

 

Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
(B.S. 28.03.1968)


 

TABEL 1 : Verplichte lichten en reflectoren voor auto's (andere dan richtingaanwijzers).

Kenmerken van montage en kleur Types van de lichten en reflectoren
Grootlicht Dimlicht

Standlicht

Achterlicht Stoplicht Kentekenplaat-
verlichting
Achter-
reflector

Zijreflector

Mistlicht
1. Aanwezigh. en aant. (1)  
    Categorie B 2 2 2 2 2 of 3 (6)   2   1 of 2
2. Kleur (2) (in werking) W of G W of G W R R of O W R O R
3. Plaatsing (3)  
    Max. afst. tot zijkant - 40 40 40 - - 40 - -
    Min. hoogte - 35 35 35 35 - 35 35 25
    Max. hoogte - 120 160 160 160 - 120 120 120

TABEL 2 : Niet verplichte lichten en reflectoren voor auto's.

Kenmerken van montage en kleur Types van lichten en reflectoren
Parkeerlicht Omtreklicht VA Omtreklicht AR Mistlicht VA Achteruit-
rijlicht
Voor-
reflector
Zoeklicht Zijreflector
1. Aanwezigh. en aant. (1)  
    Categorie B   2 2 2 1 of 2 2 1  
2. Kleur (2) Zie art. 28§3 W R W of G W of G W W of G O
3. Plaatsing (3)  
    Max. afst. tot zijkant 40 - - 40 - 40 -  
    Min. hoogte 35 35 35 - - 35   35
    Max. hoogte 60 - - 120 - 120 - 120
NOTA'S
1) De categorie B beduidt : B, de categorie personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen.
2) W = Wit; G = Geel; R = Rood; O = oranje.
3) De afmetingen zijn uitgedrukt in centimeter.
6) Drie lichten verplicht voor voertuigen in dient gesteld vanaf 1 mei 2003 en die een Europese typegoedkeuring hebben.
7) Er worden vier grootlichten toegelaten voor zover de integrale lichtsterkte 225.000 cd niet te boven gaat.

Artikel 28 : Lichten en reflectoren.

§1. Definities.

Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, wordt verstaan onder:

  • 1° Grootlicht : het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig over een grote afstand te verlichten.
  • 2° Dimlicht : het voertuiglicht dat dient om de weg voor het voertuig te verlichten zonder de bestuurders van tegemoetkomende voertuigen en andere weggebruikers te verblinden of te hinderen.
  • Standlicht : het voertuiglicht dat, van voren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
  • Achterlicht : het voertuiglicht dat, van achteren gezien, dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven.
  • Stoplicht : het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsreminrichting bedient.
  • Kentekenplaatverlichting : de inrichting die dient om de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig te verlichten.
  • Richtingsaanwijzer : het voertuiglicht dat dient om andere weggebruikers ervan te verwittigen dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of links van richting te veranderen.
  • Omtreklicht : het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de buitenomtrek van het voertuig aan te geven.
  • Parkeerlicht : het voertuiglicht dat, hetzij van voren, hetzij van achteren gezien, dient om de aanwezigheid van het geparkeerde voertuig aan te geven.
  • 10° Mistlicht voor : het voertuiglicht dat dient om de verlichting van de weg in geval van mist, sneeuwval, dichte regen of stofwolken te verbeteren.
  • 11° Mistlicht achter : het voertuiglicht dat dient om bij dichte mist de andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden te verwittigen.
  • 12° Achteruitrijlicht : het voertuiglicht dat dient om de weg achter het voertuig te verlichten en om de andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruit rijdt of gaat rijden.
  • 13° Zoeklicht : het voertuiglicht dat dient om objecten in de nabijheid van het voertuig te verlichten.
  • 14° Voorreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer voor het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
  • 15° Achterreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met een voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer achter het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
  • 16° Zijreflector : de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door reflectie van licht, uitgestraald door een lichtbron die niet met het voertuig is verbonden, waarbij de waarnemer terzijde van het voertuig en bij genoemde lichtbron is opgesteld.
  • 17° Zijmarkeringslicht : elk licht dat dient om de aanwezigheid van een voertuig vanaf de zijkant aan te geven.
  • 18° Noodsignaal : het gelijktijdig knipperen van de richtingaanwijzers, ten einde een gevaar kenbaar te maken.
  • 19° Minimum hoogte van een licht of reflector : de afstand tussen de grond en de onderzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.
  • 20° Maximum hoogte van een licht of reflector : de afstand tussen de grond en de bovenzijde van het lichtdoorlalend of reflecterend gedeelte, als het voertuig ledig is.
  • 21° Minimum afstand tussen lichten : de kleinste afstand tussen de binnenzijden van de lichtdoorlatende gedeelten.
  • 22° Maximum afstand van een licht of reflector tot de zijkant : de afstand tussen de buitenzijde van het voertuig en de buitenzijde van het lichtdoorlatend of reflecterend gedeelte.
  • 23° Elke combinatie van twee of meer lichten, hetzij gelijke of niet doch van dezelfde kleur, zal als een enkel licht worden beschouwd indien de projecties van hun lichtdoorlatende oppervlakken op een verticaal vlak loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig minstens 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven op de projecties van de genoemde lichtdoorlatende oppervlakken bedraagt.
  • 24° Eén enkel lichtdoorlatend oppervlak in de vorm van een band zal als twee of een even aantal lichten worden beschouwd indien het symmetrisch is geplaatst ten opzichte van het mediaan vlak in de langsrichting van het voertuig, en indien het zich tenminste uitstrekt tot 0,40 m van de uiterste zijkant van het voertuig en indien het een lengte heeft van tenminste 0,80 m.

De verlichting van een dergelijk oppervlak moet verzekerd worden door tenminste twee zo dicht mogelijk bij de uiteinden geplaatste lichtbronnen. Het lichtdoorlatend oppervlak mag bestaan uit een aantal elementen, zodanig gerangschikt dat de projecties van de lichtdoorlatende oppervlakken van de verschillende elementen op een verticaal vlak loodrecht op he mediaanvlak van hel voertuig niet minder bedragen dan 50 pct. van de kleinste rechthoek omschreven om de projecties van genoemde lichtdoorlatende oppervlakken van de elementen.

§2. Algemene bepalingen.

1° Voorschriften betreffende montage en kleur.

a) Lichten en reflectoren andere dan richtingaanwijzers.

1. De voertuigen moeten altijd de in TABEL 1 bij dit besluit vermelde lichten en reflectoren voeren en voldoen aan de voorschriften die erin zijn gesteld evenals aan die welke gesteld zijn in § 3 van dit artikel.

Bovendien mogen de in TABEL 2 vermelde lichten en reflectoren op de voertuigen gemonteerd worden indien ze voldoen aan de voorschriften die in die bijlage zijn gesteld, evenals aan de voorschriften van § 3 van dit artikel.

Lichten en reflecloren welke niet zijn genoemd in TABELLEN 1 en 2 mogen niet op de voertuigen worden aangebracht.

Een uitzondering kan worden gemaakt voor lichten en reflectoren bestemd voor bijzonder gebruik, zoals bepaald in § 2, 1°, c) van dit artikel.

...

5. De lichten en reflectoren die dezelfde functie hebben en in dezelfde richting zijn gericht moeten van gelijke kleur zijn.

Bij een even aantal lichten en reflectoren moeten deze symmetrisch ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig zijn geplaatst, behalve bij voertuigen met een assymmetrische buitenomtrek. De lichtsterkte van elk paar lichten moet onderling nagenoeg gelijk zijn.

6. De elektrische installatie moet zodanig zijn uitgevoerd, dat de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de eventuele omtreklichten bij het inschakelen van de grootlichten, dimlichten, standlichten, mistlichten voor, mistlicht(en) achter of zoeklicht automatisch worden ontstoken.

Bovendien moeten de elektrische verbindingen zodanig zijn dat de standlichten steeds branden, wanneer de dimlichten, grootlichten of mislichten voor zijn onststoken.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de grootlichten of de dimlichten, wanneer zij worden gebruikt om waarschuwingslichtsignalen te geven.

7. In geen geval mag een voertuig naar voren rode lichten, rode reflectoren of rood reflecterend materiaal dan wel naar achteren witte of gele lichten, witte of gele reflectoren of wit of geel reflecterend materiaal tonen.

Deze bepaling geldt niet voor het gebruik van witte of gele achteruitrijlichten, voor de kentekenplaatverlichting, noch voor de kentekenplaten zelf.

8. De lichten en reflectoren aan de voorzijde mogen niet achter de voorste as gelegen zijn. Dit voorschrift is niet van toepassing op de landbouwtractoren.

De lichten en reflectoren aan de achterzijde mogen niet voor de achterste as gelegen zijn. Deze bepalingen gelden niet voor:

  • de standlichten bij opleggers; deze lichten mogen op ten hoogste 250 cm achter het hart van de koppelpen zijn aangebracht;
  • de omtreklichten aan de voorzijde;
  • het zoeklicht.

9. Ongelijke lichten mogen in een en dezelfde verlichtingsinrichting gegroepeerd of ingebouwd zijn, voor zover elk van die lichten aan de erop toepasselijke bepalingen voldoet en geen verwarring mogelijk is.

10. Het voertuig moet zodanig zijn ingericht, dat de lichten en de reflectoren nimmer kunnen worden afgeschermd door enig voertuigdeel of deel van de lading.

b) Richtingaanwijzers.

1. De auto's moeten voorzien zijn van richtingaanwijzers die voldoen aan onderstaande uitvoeringen:

  •  Type A.

Twee richtingaanwijzers tegen de zijwanden.

Het type A is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de breedte maximaal 1,60 m en de lengte maximaal 4 m bedraagt.

  •  Type B.

Twee richtingaanwijzers tegen de zijkanten en twee op de achterzijde.

De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen voor traag vervoer.

  •  Type C.

Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde alsmede twee tegen de zijkanten .

De in de langsrichting van het voertuig gemeten afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig en het meest naar voren gelegen punt van het lichtdoorlatend gedeelte van de aan de zijkanten gevoerde richtingaanwijzers mag niet meer dan 1,80 m bedragen.

Een richtingaanwijzer op de voorzijde en een richtingaanwijzer tegen de zijkant mogen tot een richtingaanwijzer worden gecombineerd; deze vervangende richtingaanwijzer moet voldoen aan de voorwaarden van zichtbaarheid die gelden voor de richtingaanwijzers die zij vervangen .

  •  Type D.

Twee richtingaanwijzers op de voorzijde en twee op de achterzijde.

Het type D is slechts toegestaan voor voertuigen waarvan de afstand tussen de lichtdoorlatende vlakken van de richtingaanwijzers voor en achter niet groter is dan 6 m.

2. De aanhangwagens moeten op de achterzijde van twee richtingaanwijzers zijn voorzien.

3. Aanvullende richtingaanwijzers mogen op de zijkanten van de voertuigen worden aangebracht, doch moeten voldoen aan de in punt 4 hierna gestelde eisen.

4. Alleen vaste knipperende richtingaanwijzers zijn toegestaan.

De frequentie van de knipperingen moet gelegen zijn tussen 60 en 120 periodes per minuut. De kleur van deze lichten moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn. Een uit twee dezelfde zijde geplaatste lichten bestaande richtingaanwijzer is toegelaten indien het verspringen van deze lichten van gelijke frequentie is.

De onderlinge afstand tussen de linker en de rechter richtingaanwijzer moet, zowel aan de voor- als aan de achterzijde, minstens 60 cm bedragen.

De hoogte van de richtingaanwijzers is minimaal 35 cm en maximaal 1,90 cm .

De richtingaanwijzers moeten waarneembaar zijn aan de voorzijde of aan de achterzijde, naargelang het geval, voor een waarnemer die zich in een verticale langsvlak door het midden van het voertuig bevindt, op een afstand van 10 m van het voertuig.

Nochtans moeten de richtingaanwijzers op de zijkant van het type B en C, slechts zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op 10 m achter de richtingaanwijzer en op 1 m van de zijkant van het voertuig bevindt.

Wanneer een auto een aanhangwagen of een oplegger trekt moet deze sleep uitgerust zijn met richtingaanwijzer op de zijkanten. Deze richtingaanwijzers moeten op een afstand van len hoogste 1,80 m van de voorzijde van de auto geplaatst zijn.

Deze bepaling is van toepassing op de auto's waarvoor de aanvraag om type-goedkeuring werd ingediend na 1 januari 1976.

Voor de auto's die het voorwerp hebben uitgemaakt van een type-goedkeuring voor die datum, mogen de richtingaanwijzers tegen de zijkant ofwel op het trekkend voertuig geplaatst worden ofwel op het getrokken voertuig.

5. De voertuigen of de voertuigcombinaties mogen voorzien zijn van een inrichting waarmede alle richtingaanwijzers van het voertuig gelijktijdig door een afzonderlijke schakelaar kunnen worden bediend. De werking van deze inrichting moet door een optisch of een acoustisch signaal aan de bestuurder worden kenbaar gemaakt.

6. De voor 15 juni 1968 in dienst gestelde voertuigen moeten, wanneer zij niet kunnen voldoen aan de voorschriften van §2, 1°, b, 1 tot 5, uitgerust zijn met richtingaanwijzers die tot een van volgende types van lichten behoren:

  • ofwel een inrichting bestaande uit een verstelbare wijzer die ten minste 0,15 m buiten de omtrek van het voertuig op de rechter- of de linkerzijde, volgens het geval, uitsteekt wanneer hij in werking is.
    Indien de verstelbare wijzer een vaste stand aanneemt wanneer hij in werking is, moet hij een permanent licht vertonen;
  • ofwel een inrichting met vaste stand en knipperlicht, op de rechter- en linker zijwand van het voertuig aangebracht;
  • ofwel een inrichting met vaste stand en knipperlicht, op de rechter- en linkerzijde van het voor- en achtereind van het voertuig aangebracht.

Die lichten mogen met de standlichten en achterlichten of de stoplichten ingebouwd worden. De kleur van het door de richtingaanwijzers uitgestraalde licht is:

  • naar voren wit of oranje;
  • naar achter rood of oranje.

Die richtingaanwijzers moeten zodanig op het voertuig aangebracht zijn dat de door die lichten gegeven aanduidingen zowel 's nachts als overdag en zowel voor als achter het voertuig zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich bevindt in het vlak dat evenwijdig is met het overlangs vlak van symmetrie en het voertuig terzijde aan de kant der richtingsaanwijzers begrenst. De richtingaanwijzers moeten 's nachts, bij helder weer, van op ten minste 150 m afstand, en overdag, bij zonnig weer, van op ten minste 20 meter afstand zichtbaar zijn.

Het hoogste punt van die richtingaanwijzer mag zich op niet meer dan 1,90 m boven de grond bevinden als het voertuig ledig is.

2° Lichtsterkte.

a)
1.
Bij de goedkeuring van het voertuig, dienen de lichten, hun montage en hun voedingssysteem zodanig te zijn dat zij, in de richting evenwijdig met de lengteas van het voertuig, en onder de in punt b) bepaalde metingsvoorwaarden, de minimum en maximum lichtsterkte uitgedrukt in candela, de in onderstaande tabel vermelde waarden eerbiedigen:

Minimum Maximum
Voor de lichten met één niveau:
 * standlichten 3 60
 * achterlichten 1,5 12
 * stoplichten 20 100
 * richtingaanwijzers vooraan 88 700
 * richtingaanwijzers achteraan 25 600
 * achteruitrijlichten 40 600
 * achtermistlichten
    - alleen of per paar 75 300
    - uitsluitend per paar 65 300
Voor de lichten met twee niveaus:
 - 's nachts:
    * stoplichten 15 80
    * richtingaanwijzers achteraan 20 120
 - overdag:
    * stoplichten 65 520
    * richtingaanwijzers achteraan 88 700

2. Voor de in dienst zijnde voertuigen mogen de gemeten lichtsterkten niet lager zijn dan 50 pct van de minima, noch hoger dan de maxima die opgegeven zijn in de tabel onder punt 1. Deze voorschriften zijn niet van toepassing voor voertuigen die sedert lange tijd stilstaan.

b)
De metingen gebeuren met stilstaande motor en met een elektromotorische kracht aan de polen die gestabiliseerd is. De stabilisatie wordt geacht bereikt te zijn wanneer de grootlichten ongeveer twintig seconden gebrand hebben na het afzetten van de motor.

Tijdens de meting van de lichtsterkte van de lichten, mag slechts het licht dat getest wordt, branden. Wanneer ingevolge de voorschriften voor de montage, andere lichten simultaan gaan branden, moet hun aantal beperkt worden tot het minimum, mogelijk door de bedieningsknoppen. Alle electrische apparaten andere dan de lichten zijn buiten dienst.

Bij de richtingaanwijzers wordt de piekwaarde in acht genomen als waarde, d.w.z. de maximum waarde die tijdens elke werkingcyclus wordt bereikt.

c)
De in de tabel onder a), 1, vermelde maximumwaarden voor de richtingaanwijzers, gelden niet voor de laterale herhalers.

d)
Bij stoplichten en achterlichten met hetzelfde lichtdoorlatend gedeelte moet de verhouding van de werkelijk gemeten lichtsterkten met beide lichten gelijktijdig en met het achterlicht alleen ontstoken ten minste gelijk zijn aan 5 : 1.

§3. Bijzondere bepalingen.

De eisen waaraan de lichten en de reflectoren moeten voldoen, worden door Ons bepaald.

      1. Grootlicht.

De grootlichten zijn niet verplicht op de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h.

2. Dimlicht.

Betreft het speciale voertuigen, dan is evenwel een maximum hoogte van 145 cm toegelaten, voor zover zij gerechtvaardigd is wegens de aard van het voertuig en de karakteristieken van zijn bouw.

Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum afstand tot de zijkant meer dan 40 cm bedragen .

3. Standlicht van de auto's.

Het standlicht mag geel zijn indien dit licht ingebouwd is in het grootlicht of in het dimlicht en de kleur van deze lichten geel is.

Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum hoogte van de standlichten 190 cm bedragen .

4. Standlicht van de aanhangwagens.

Deze lichten moeten naar voren en zijwaarts licht uitstralen.

Bij aanhangwagens met een breedte van hoogstens 160 cm en bij aanhangwagens getrokken door voertuigen voor traag vervoer, mogen de standlichten vervangen worden door witte reflectoren voor zover de maximum afstand tot de zijkant niet groter is dan 15 cm.

5. Achterlicht.

Bij voertuigen voor traag vervoer mag de maximum hoogte van de achterlichten 190 cm bedragen .

6. Stoplicht.

Zij moeten gaan branden bij het in werking stellen van de bedrijfsrem.

De stoplichten zijn niet verplicht op de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximumsnelheid niet hoger is dan 30 km/h. Indien zij er echter toch mee uitgerust zijn, mag de maximale hoogte van de stoplichten maximum 190 cm bedragen.

Het aantal verplichte stoplichten bedraagt drie voor voertuigen van categorie M1, in gebruik genomen na 1 mei 2003 en die een Europese typegoedkeuring hebben. Voor de voertuigen van een andere categorie, bedraagt het twee, met dien verstande dat een derde stoplicht toegelaten is.

7. Kentekenplaatverlichting.

Het licht mag van uit de lichtbron geen direct licht achter het voertuig uitstralen.

8. Achterreflector.

De achterreflectoren moeten voldoen aan de eisen gesteld in het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen.

De achterreflectoren moeten worden aangebracht op een vast deel van het voertuig in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig. Zij mogen niet driehoekig zijn indien ze op een auto gemonteerd zijn.

De achterreflectoren gemonteerd op de aanhangwagens, moeten de vorm hebben van een gelijkzijdige driehoek van 15 cm tot 20 cm zijde. Een van de toppen van de driehoek moet naar boven gericht zijn, terwijl de tegenoverliggende zijde horizontaal ligt.

Indien in de op de achterzijde van de voertuigen aangebrachte lichtgevende inrichtingen een reflecterend vlak voorkomt zonder goedkeuringsmerk, wordt dit vlak niet beschouwd als reflector. In dit geval moeten op de achterzijde van het voertuig twee behoorlijk reflectoren aangebracht worden.

9. Omtreklicht.

Zij moeten aan de zijkant aan de totale breedte en zo mogelijk in het bovenste gedeelte van het voertuig zijn aangebracht.

10. Zijreflector.

De zijreflectoren moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van reflectoren voor voertuigen.

De auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die meer dan 6 meter lang zijn, alsmede aanhangwagens waarvan de lengte, dissel inbegrepen, meer dan 3 meter bedraagt, moeten aan elke zijkant ten minste een oranje reflector voeren.

De afstand tussen het meest vooruitstekende punt van het voertuig, dissel niet inbegrepen, wanneer het om een aanhangwagen gaat, en het meest naar voren gelegen punt van het lichtweerkaatsend gedeelte van de zijreflector, mag niet groter zijn dan 3 meter; bovendien mag de afstand tussen het meest achteruitstekende punt van het voertuig en het meest naar achter gelegen punt van het lichtweerkaatsend gedeelte van de zijreflector niet groter zijn dan 1 meter. Indien deze beide afmetingen niet kunnen geëerbiedigd worden en dat de kortste afstand tussen de lichtweerkaatsende gedeelten van twee op elkaar volgende reflectoren niet meer dan 3 meter bedraagt.

De zijreflectoren moeten vast bevestigd zijn in vlakken, evenwijdig met het vertikale vlak door de lengteas van het voertuig.

De maximumhoogte van de zijreflectoren mag 145 cm bedragen wanneer om constructieve redenen de maximum hoogte van 120 cm niet kan geëerbiedigd worden.

11. Parkeerlicht.

Alleen de auto's, ingericht voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet inbegrepen, en de andere voertuigen die niet langer zijn dan 6 meter en niet breder dan 2 meter, mogen een parkeerlicht voeren, hetzij aan hun linker zijkant, hetzij aan elk van hun zijkanten. Het parkeerlicht moet nagenoeg in het midden van de zijkant van het voertuig zijn aangebracht; de kleur ervan moet wit of oranje naar voren en rood of oranje naar achteren zijn .

Het parkeerlicht mag ook bestaan uit een vooraan op het voertuig aangebracht wit of oranje licht en uit een achteraan op het voertuig aangebracht rood of oranje licht.

Het moet mogelijk zijn de parkeerlichten aan eenzelfde kant van het voertuig afzonderlijk te ontsteken.

12. Achtermistlicht.

De achtermistlichten moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 maart 1975 betreffende de goedkeuring van achtermistlichten voor de auto's en hun aanhangwagens. De achtermistlichten mogen slechts ontstoken kunnen worden door een afzonderlijke schakelaar, die slechts werkt wanneer de achterlichten branden. Die schakelaar mag evenwel ook dienen om de voormistlichten te ontsteken.

De ontstoken achtermistlichten moeten aan de bestuurder gesignaleerd worden door een oranje verklikkerlichtje, aangebracht op een in het oog vallende plaats.

Wanneer er een achtermistlicht is, moet dit aangebracht zijn in het vertikale vlak door de lengteas van het voertuig of tussen dit vlak en de linkerrand van het voertuig.

De rand van het lichtdoorlatend gedeelte van het achtermistlicht moet zich bevinden op ten minste 10 cm van de rand van het lichtdoorlatend gedeelte van hel stoplicht.

De maximum-hoogte van het achtermistlicht mag 190 cm zijn voor de voertuigen voor traag vervoer.

In het geval van een sleep mag het achtermistlicht van het gesleepte voertuig alleen branden wanneer het montagesysteem van het achtermistlicht van het trekkend voertuig dusdanig is, dat de electrische stroomkring van dat licht automatisch opengesteld wordt als het achtermistlicht van de aanhangwagen brandt.

13. Achteruitrijlicht.

De achteruitrijlichten mogen alleen door het inschakelen van de achteruitrijstand in werking gesteld worden.

14. Voorreflector.

De voorreflectoren moeten voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 mei 1969 betreffende de goedkeuring van de reflectoren voor voertuigen.

Zij moeten worden aangebracht op een vast deel van het voertuig in een vlak, loodrecht op de lengteas van het voertuig. Zij mogen niet driehoekig zijn.

De hoogte van de voorreflectoren mag maximum 145 cm bedragen wanneer om constructieve redenen de maximum hoogte van 120 cm niet kan geëerbiedigd worden.

 



 

Laatst gewijzigd : 12 juni 2005 - 05:42