TECHNISCH REGLEMENT OLDTIMERS

 

     

Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
(B.S. 28.03.1968)

 


BIJGEWERKTE VERSIE : 01.01.2014


 

Hoofdstuk I : Begripsomschrijving en toepassingssfeer

 

Artikel 2 : Toepassingssfeer.

§2. Nochtans zijn zekere voertuigcategorieen slechts onderworpen aan bepaalde voorschriften van dit algemeen reglement.

Deze zijn:

  De voertuigen die sedert meer dan vijfentwintig jaar in gebruik zijn genomen en die ingeschreven zijn onder een kentekenplaat waarvan de groep letters begint met « O » overeenkomstig artikel 4, § 2 van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, zijn enkel onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 10 § 4, punt 1, eerste lid, 23 §§ 1, 3, 4, 5, 6 en 7, 23sexies § 1, 1°, 3° en 6°, en § 2, 25, 26, 42, 45 § 1, 1° en 3°, 47 § 1, punt 1, eerste lid, 54, § 1, 1° en 3°, 70 § 2 en 80 van dit besluit.

Deze voertuigen zijn uitgesloten van volgend gebruik :

  • commercieel en professioneel gebruik;

  • woon-werkverkeer en woon-schoolverkeer;

  • bezoldigd vervoer en met bezoldigd vervoer van personen gelijkgesteld gratis vervoer;

  • gebruik als werktuig of werkmiddel alsook voor interventieopdrachten.

Voor voertuigen uitgerust met rupsbanden wordt het gebruik beperkt tot :

  • oldtimermanifestaties;

  • proefritten binnen een straal van 3 km vanaf de stallingsplaats van het voertuig.


 

Hoofdstuk II : Goedkeuring

 

Artikel 10 : Goedkeuringscertificaat, certificaat van overeenstemming en markering.

§4. Identificatie van de voertuigen.

1. Chassisnummer

Elk chassis of voertuig moet voorzien zijn van een nummer, dat als chassisnummer wordt beschouwd en dat verschillend is voor elk voertuig van eenzelfde merk en dat bestaat uit een reeks van minstens drie en hoogstens zeventien letters of cijfers.

Die tekens moeten een hoogte van ten minste 7 mm hebben en zodanig van alle andere opschriften gescheiden zijn dat alle twijfel uitgesloten is.


 

Hoofdstuk IV : Autokeuring

 

Artikel 23 : Autokeuring.

§1. De in het verkeer gebrachte voertuigen zijn onderworpen aan keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn.

Deze keuringen worden uitgevoerd door de erkende instellingen in toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regels van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen.

De erkende instellingen zijn gemachtigd om vergoedingen te innen die bestemd zijn om de kosten die voortvloeien uit de keuringen voorzien in eerste alinea, alsook de bijhorende administratieve kosten te dekken.

§3. De kosten van de keuringen zijn ten laste van de titularis van het voertuig.

§4. De erkende instellingen maken in elk van hun keuringsstations door middel van een uithangbord de bedragen kenbaar van al de vergoedingen die zij gemachtigd zijn te innen.

De betalingen gebeuren contant.

§5. Het voertuig wordt aangeboden op initiatief van de titularis in één van de keuringsstations van de erkende instellingen.

Alle herkeuringen gebeuren in het keuringsstation waar de volledige keuring plaatsgevonden heeft.

§6. De voertuigen moeten zich in een zodanig propere staat bevinden dat de keuring van de onderdelen niet belemmerd wordt.

Bovendien zijn zij niet met sneeuwkettingen uitgerust.

De keuring wordt stopgezet wanneer brandstof- of gaslekken vastgesteld worden.

De bestuurder schikt zich naar de aanwijzingen die hem met het oog op de keuring van zijn voertuig verstrekt worden.

§7. Naar aanleiding van deze keuringen en voor zover het voertuig van deze documenten moet voorzien zijn, overhandigt diegene die het voertuig ter keuring aanbiedt het laatste keuringsbewijs en het bijhorende keuringsvignet aan de erkende instelling en legt hij volgende documenten voor :

het inschrijvingsbewijs;

het gelijkvormigheidsattest of het Europees gelijkvormigheidsbewijs : de in België ingevoerde voertuigen die eerder in een andere Lidstaat van de Europese Unie waren ingeschreven, zijn niet onderworpen aan de verplichting het certificaat van overeenstemming voor te leggen. Indien het kentekenbewijs van deze voertuigen echter onleesbaar of onvolledig is, overeenkomstig bijlage 1 van Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, mag het certificaat van overeenstemming worden gevraagd. De afwezigheid van het certificaat van overeenstemming zal echter geen aanleiding geven tot een sanctie;

het identificatieverslag of de technische fiche;

het document met als opschrift « Visuele keuring van het voertuig »;

Het verzekeringsbewijs, uitgereikt ingevolge de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

 

Artikel 23sexies : Niet-periodieke keuringen.

§1. Ongeacht de regels betreffende de periodieke keuringen, zijn niet-periodieke keuringen verplicht:

op elk verzoek van een bevoegde persoon;

vóór de inschrijving op naam van een andere titularis, voor de voertuigen van de categorieën M1, met inbegrip van kampeervoertuigen (VC en kampeervoertuigen van de categorie M1), en N1, met inbegrip van lijkauto’s.

Indien deze titularis echter de andere echtgenoot of de andere wettelijk samenwonende van de vorige titularis is of één van hun kinderen, wordt geen keuring uitgevoerd indien de toekomstige titularis de intentie heeft de oude kentekenplaat die voldoet aan de bepalingen getroffen in uitvoering van artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, op zijn naam over te brengen; indien hij deze overdracht niet wenst, wordt enkel een administratieve keuring vóór de inschrijving uitgevoerd.

voor de inschrijving onder een kentekenplaat waarvan de groep letters niet begint met « O » op naam van dezelfde titularis, van de voertuigen die vallen onder de bepalingen van artikel 2, § 2, 7°.

§2. De gebruikte voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O2, O3 en O4, zoals gedefinieerd in artikel 1, zijn onderworpen aan een administratieve keuring vóór de inschrijving, met het oog op het aanvullen van het formulier tot aanvraag om inschrijving door een erkende keuringsinstelling.

De periode van geldigheid van dat formulier is twee maanden.


 

Hoofdstuk V : Gebruik

 

Artikel 25 : Beschadigde voertuigen.

Voertuigen die om enigerlei reden werden beschadigd en die niet onderworpen zijn aan de bij artikel 23sexies, §1, 2°, d. voorgeschreven schouwing mogen slechts weder in dienst worden gesteld na herstelling, wanneer zij alle waarborgen bieden voor de veiligheid van het verkeer en aan de voorschriften van dit algemeen reglement voldoen.

ln afwachting van de herstelling, moeten alle voorzorgen genomen zijn opdat deze voertuigen geen gevaar zouden opleveren voor de andere weggebruikers.

 

Artikel 26 : Gebruik van de voertuigen.

Geen voertuig mag op de openbare weg gebruikt worden indien het inzake onderhoud en werking in een staat verkeert waarbij de verkeersveiligheid in het gedrang komt of wanneer het niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit, en dit, ongeacht de keuringen uitgevoerd door de erkende instellingen.


 

Hoofdstuk VI : Constructie

 

Artikel 42 : Stuurinrichting.

De stuurinrichting en de stuurorganen moeten alle veiligsheids en stevigheidswaarborgen bieden. De kogelgewrichten van de verbindingsstangen moeten zodanig zijn uitgevoerd. dat -noch geringe slijtage van de kogels of de kommen, noch breuk van de opsluitveren tot gevolg kan hebben dat de kogels uit de kommen kunnen geraken. Een goede bestuurbaarheid van het voertuig moet gewaarborgd zijn; hierbij mogen geen ongewenste reactiekrachten van de gestuurde wielen op het stuurwiel worden overgebracht.

Voor de aanhangwagens tot het verkeer toegelaten met ingang van 1 oktober 1971 moet de draaihoek van de voorste wielen of van de vooras ten minste 45° bedragen in beide richtingen.

Aan de stuurorganen mag, behalve door de constructeur zelf, niet zijn gelast. De delen der stuurinrichting mogen koud noch warm worden vervormd.

De eisen waaraan de stuurinrichtingen moeten voldoen, voor wat de bescherming van de bestuurder betreft in geval van botsing, worden door Ons bepaald.

 

Artikel 45 : Reminrichtingen van de auto's - Algemene bepalingen.

§1. De auto's moeten voorzien zijn:

van een bedrijfsreminrichting die het mogelijk moet maken de beweging van het voertuig te controleren en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand te brengen, ongeacht de snelheidsomstandigheden en de belasting en ongeacht de stijgende of dalende helling waarop het voertuig zich bevindt. De werking ervan moet regelbaar zijn . De bestuurder moet deze remming tot stand kunnen brengen vanaf zijn zitplaats, zonder de handen van het stuurorgaan te nemen;

van een parkeerreminrichting die het mogelijk moet maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een stijgende of dalende helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij dan de actieve elementen aangespannen blijven door middel van een uitsluitend mechanisch werkende inrichting. De bestuurder moet deze remming vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen.

 

Artikel 47 : Reminrichtingen van de aanhangwagens.

§1. De aanhangwagens moeten voorzien zijn:

1. van een bedrijfsreminrichting, zodanig opgevat en uitgevoerd, dat de bestuurder van het trekkende voertuig waaraan de aanhangwagen gekoppeld is, vanaf zijn zitplaats en zonder het stuurwiel los te laten, met de inrichting de beweging van het voertuig kan beheersen en dit laatste op een veilige, snelle en doelmatige wijze tot stilstand kan brengen, ongeacht de snelheid en de lading en ongeacht de helling waarop het voertuig zich bevindt.

De werking ervan moet regelbaar zijn.

 

Artikel 54 : Verbindingen van het trekkend voertuig met de aanhangwagens.

§1. Koppeling.

De onderlinge verbinding tussen trekkende en getrokken voertuigen mag slechts geschieden door één enkele, voldoend stijve en sterke koppeling.

De koppeling moet zijn voorzien van een sluitinrichting met een borging. Deze inrichting dient zodanig te zijn uitgevoerd dat de koppeling tijdens het rijden gesloten en geborgd blijft en met kan losraken. De borging mag slechts kunnen worden aangebracht indien de koppeling is gesloten. Bovendien dient de sluitinrichting zodanig te zijn uitgevoerd dat wanneer de koppeling niet geborgd is, deze tijdens het rijden deugdelijk gesloten blijft.


 

Hoofdstuk VII : Inrichting

 

Artikel 70 : Blustoestellen en gevaarsdriehoeken.

§2. Gevaarsdriehoeken.

Een gevaarsdriehoek, gebruikt voor het signaleren van een geïmmobiliseerd voertuig of van een op de openbare weg gevallen lading, moet zich aan boord van elke auto bevinden.

De eisen waaraan de gevaarsdriehoeken moeten voldoen worden door Ons bepaald.

In afwijking van de bepalingen van 2°, mogen de auto's waarvoor de aanvraag om goedkeuring werd ingediend vóór 1 januari 1977 voorzien zijn van een gelijkzijdige gevaarsdriehoek, die een rode rand en ten minste 40 cm zijde heeft. De rode randen zijn voorzien van reflecterende producten en ten minste 5 cm breed. Het centraal gedeelte mag zonder achtergrond zijn ofwel een witte achtergrond hebben.


 

Hoofdstuk IX : Inwerkingtreding en slotbepalingen

 

Artikel 80 : Toezicht

Zijn bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van dit algemeen reglement, de bevoegde personen bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

Tijdens de uitoefening van hun opdracht genieten deze beambten van de bevoegdheden die hun toegekend zijn door de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

 

 



 

Aangepaste reglementering mbt de tweedehandsvoertuigen vanaf 01/09/2004

De voertuigen die voor keuring worden voorgereden met oog op een herinschrijving moeten voorzien zijn van de kentekenplaat en het kentekenbewijs.

Kentekenplaat (nummerplaat)

De voertuigen kunnen voorgereden worden :

·         hetzij, met de kentekenplaat waaronder het voertuig is ingeschreven of laatst was ingeschreven;

·         hetzij, met een handelaars- of proefrittenplaat.

Kentekenbewijs (inschrijvingsbewijs)

Het kentekenbewijs voor het betrokken voertuig wordt uitgereikt door de Directie Inschrijving Voertuigen (DIV). Bij verlies moet een attest, uitgereikt door de Politie, voorgelegd worden. Het attest vermeldt een verklaring van onvrijwillig niet meer in bezit zijn van het inschrijvingsbewijs, m.a.w. verklaring van verlies.

Wanneer het voertuig wordt voorgereden onder een handelaars- of proefrittenplaat moeten zowel het kentekenbewijs (of verklaring van verlies) als het kentekenbewijs “handelaar” of “proefritten” voorgelegd worden.

Kopieën

Alle documenten die voorgelegd worden, moeten originelen zijn.
Enkel de kentekenplaten uitgereikt door de DIV zijn geldig.

 



 

Laatst gewijzigd : 22 januari 2014 - 21:26